Een psycho-analytische benadering van tweeling zijn 1


 

Ik krijg regelmatig vragen van ouders en professionals over problemen bij tweelingen die samenhangen met de bijzondere tweelingrelatie. Alhoewel verreweg de meeste tweelingen een goede relatie met elkaar ontwikkelen, zijn er ook tweelingen bij wie de onderlinge relatie voor problemen zorgt. Veel voorkomende problemen zijn een grote mate van afhankelijkheid, of juist het tegenovergestelde, een relatie met extreem veel competitie en strijd. Dit soort problemen kunnen samenhangen met een onvoltooide individuatie.

Individuatie proces

Vanuit de psycho-analytische benadering zal een kind het individuatie-proces goed moeten doorlopen om een autonoom persoon te worden. Tijdens de eerste levensmaanden van een kind zijn het Id en Ego nog ongedifferentiëerd, waardoor er geen onderscheid is tussen het Self en de rest van de wereld. Vanaf en maand of 4 à 5 wordt een kind zich geleidelijk bewust dat de moeder geen verlengstuk van het Self is. Dit is de aanvang van het individuatie proces (ook wel separatie- of losmakingsproces genoemd). Het losmakingsproces doorloopt verschillende ontwikkelingsstadia. Zo zal een kind zijn moeder (en/of vader) als identificatiefiguur gaan gebruiken om de wereld te ontdekken. Tijdens deze stadia fungeert de moeder/vader als ‘veilige thuishaven’. Doorgaans is het losmakingsproces voltooid aan het einde van het derde levensjaar.

Individuatie bij tweelingen

Net als eenlingen zullen ook tweelingen tijdens hun losmaking de verschillende stadia doorlopen. Maar anders dan bij eenlingen zullen tweelingen ook van elkaar moeten loskomen. Juist doordat ze samen opgroeien en in dezelfde ontwikkelingsfase zitten, zijn tweelingkinderen sterk op elkaar gericht.

Denzell en Scott  (marlies-fotografie.com)

Denzell en Scott (marlies-fotografie.com)

Emotionele problemen bij tweelingen kunnen samenhangen met de manier waarop het individuatie proces verloopt. Tweelingen zullen niet alleen hun moeder/vader, maar ook elkaar als identificatie-figuur gaan gebruiken, waardoor er sprake is van Intertwin Identification. Dit gebeurt vooral doordat de primaire verzorger in de tweelingsituatie niet altijd beschikbaar is om adequaat in te spelen op de individuele behoeften van elk kind, terwijl dit juist van belang is in het kader van een ervaren veiligheid als cruciaal onderdeel voor een veilige hechting:

“The projection, introjection and identification with the mother by the twin may be blurred in the absence of a constant ‘mirror’ and instead the twin may become an additional mirror, though one that is unable to contain and reframe the child’s emotions”

(Sandbank, 1999)

Doordat de kinderen niet in staat zijn om adequaat in te spelen op elkaars behoeften, kan de situatie ontstaan waarin ze elkaar afwisselend als ‘veilig’ en ‘onveilig object’ gaan ervaren. Zo kunnen ze (soms blijvend) een onderdeel van elkaars identiteit vormen. Soms blijft de moeder/vader een buitenstaander, omdat de tweelingkinderen voor elkaar die rol vervullen. Ook komt het voor dat de moeder slechts met een van de kinderen bond, omdat ze het moeilijk vindt om met twee kinderen tegelijk te bonden of heeft een van kinderen de neiging zich uit de bonding terug te trekken om rivaliteit met de co-twin te voorkomen. In zo’n situatie kan het kind een parasitic relationship met de co-twin ontwikkelen die blijvend van aard kan zijn. Meer informatie over de hechtingstheorie vind je hier.

Maar normaal gesproken zullen tweelingkinderen zich geleidelijk gaan losmaken van hun moeder/vader en van elkaar, en zichzelf gaan zien als een apart individu. Om zich los te kunnen maken, zal een kind moeten ervaren dat dit kan. Ouders zullen hun kind steeds meer ruimte geven om zich los te ‘mogen’ maken. Maar voor de tweelingkinderen zelf kan het lastig zijn om elkaar die ruimte te geven.

Ontwikkeling van de ‘eigen ik’

De ontwikkeling van de ‘eigen ik’ zal worden beinvloed door de aanwezigheid van de co-twin. Vanaf een maand of 4 à 5 worden tweelingkinderen zich ervan bewust dat de co-twin een apart individu is, in plaats van een verlengstuk van zichzelf. Ze zullen de aanwezigheid van de ander ervaren alsof ze in een spiegel naar zichzelf kijken, ongeacht de zygositeit van de tweeling.

Anders dan vaak gedacht, speelt met name de situatie waarin tweelingkinderen opgroeien een centrale rol in dit geheel, en niet zozeer de genetische verwantschap. Dit is o.a. gebaseerd op tweelingenonderzoek waarbij ook niet-verwante leeftijdgelijken (bijvoorbeeld kinderen in een weeshuis) zijn geobserveerd.

Als gevolg van de Intertwin Identifications kunnen er diverse problemen ontstaan:

  • conflict tussen de behoefte aan de ander en de behoefte om zich te differentieren van de ander
  • ontstaan van een ‘we-self‘ in plaats van een Self; de kinderen hebben persoonlijkheidskenmerken ontwikkeld waarmee ze elkaar aanvullen. Ze hebben elkaar nodig hebben om te kunnen functioneren
  • het gevoel ‘incompleet’ te zijn
  • problemen met het ontwikkelen van een goed zelfbeeld of verwarring over de eigen identiteit
  • wederkerige relatie: het actieve tweelingkind ontwikkelt dominante, agressieve, egoistische persoonlijkheidskenmerken en het passieve tweelingkind ontwikkelt aangepaste, ondergeschikte persoonlijkheidskenmerken
  • problemen om onderscheid te maken tussen de eigen gedachten, gevoelens en behoeften en die van de co-twin
  • ambivalente houding ten aanzien van het tweeling zijn (geen tweeling willen zijn)

Normaal gesproken zullen deze problemen afnemen naarmate de kinderen ouder worden, omdat de meeste kinderen zich vanzelf verder gaan differentiëren. Bij extreme mate van Intertwin Identification kan het raadzaam zijn een psychotherapeut te raadplegen.

Literatuur:

Sanbank, A.C. (1999). Twin and triplet psychology, a professional guide to working with multiples. Routledge, Londen

Stewart, E.A. (2003). Exploring Twins Toward a Social Analysis of Twinship. Palgrave Macmillan, New York

 


Geef een reactie

Een gedachte over “Een psycho-analytische benadering van tweeling zijn